![]() | Museum Het Rembrandthuis Jodenbreestraat 4 1011 NK Amsterdam T 020 520 0400 E museum@ museumrembrandthuis.nl PR/Marketing: press-office@museumrembrandthuis.nl |
Woonhuizen van Rembrandt
Bij Hendrick Uylenburgh in huis, St . Antoniebreestraat
Tussen 1631 en 1635 woonde Rembrandt als kostganger bij Hendrick Uylenburgh (ca. 1587 – 1661) wiens huis op de hoek van de Sint-Anthonisbreestraat en de Zwanenburgwal stond, pal naast het huidige Rembrandthuis. Dit pand met twee verdiepingen werd gebouwd in 1606, tegelijk met het dubbele pand ernaast, Rembrandts latere woning. In deze buurt woonden veel kunstenaars, waaronder Cornelis van der Voort, Nicolaes Eliasz. Pickenoy, Jan Tengnagel en de historieschilder Pieter Lastman, bij wie Rembrandt omstreeks 1625 gedurende zes maanden in de leer was geweest. Op deze plek, de huidige Jodenbreestraat 2, staat nu een uit 1889 stammende pand, waarin café-restaurant The Rembrandt Corner is gevestigd.
Hendrick Uylenburgh, was een van de belangrijkste kunsthandelaren van zijn tijd. Hij had hier ook een schilderswerkplaats, waar Rembrandt hoofd van werd. Via Uylenburgh kwam hij in contact met andere kunstenaars en met welgestelde burgers die hem opdrachten voor schilderijen gaven.
Rembrandts produktie nam in deze jaren sterk toe, in het bijzonder die van portretten, waarvan uit zijn Leidse tijd geen voorbeelden bekend zijn. Zijn prenten veranderden in deze periode qua stijl, en kregen nieuwe onderwerpen. Bij Uylenburgh ontmoette Rembrandt zijn toekomstige vrouw Saskia, het nichtje van Uylenburgh, met wie hij in 1634 in het huwelijk zou treden.
In 1635 kwam er een einde aan de hechte samenwerking met Uylenburgh. Rembrandt betrok in de loop van dat jaar een huurwoning in de Nieuwe Doelenstraat.
Nieuwe Doelenstraat 20
Op de plek waar tegenwoordig het populaire café-restaurant 'De Jaren' is gevestigd, stonden in Rembrandts tijd twee gloednieuwe panden naast elkaar. Ze waren gebouwd voor de regent Willem Boreel. Hij ging zelf in het linker huis wonen en verhuurde het rechterhuis. De eerste huurders waren Rembrandt en Saskia. Ze woonden hier van 1635 tot 1637. De huizen in deze straat werden pas vanaf 1631 gebouwd. Vóór die tijd was hier een gemetselde schans. Net als de straten in de directe omgeving, werd de Nieuwe Doelenstraat een deftige straat, die in trek was bij vermogende personen. Een schilder van portretten kon hier dus zijn potentiële klanten vinden. Toch zou Rembrandt hier niet lang wonen. Waarschijnlijk had hij hier te weinig werkruimte.
Zwanenburgerstraat
Niet lang daarna verhuisde hij naar een woning in de Zwanenburgerstraat.
Jodenbreestraat 4
In januari 1639 kocht Rembrandt een pand aan de St. Antoniebreestraat, het huidige Rembrandthuis. Hij zou er bijna twintig jaar blijven wonen en werken.
Dit voorname huis werd in 1606 gebouwd in een nieuw oostelijk stadsdeel aan de breedste straat: de Breestraat. Omstreeks 1627 werd het verbouwd onder leiding van Jacob van Campen, later vooral bekend als architect van het stadhuis (nu Paleis) op de Dam. In 1639 kon Rembrandt het huis voor het (destijds) enorme bedrag van 13.000 gulden kopen, te betalen in termijnen. Rembrandt maakte hier verschillende hoogte- en dieptepunten in zijn leven mee. Hij schilderde 'De Nachtwacht', zijn zoon Titus werd geboren en zijn vrouw Saskia stierf. In 1658 moest hij zijn huis verlaten, omdat hij de hypotheek niet meer kon afbetalen.
In het jaar waarin hij het huis aan de Breestraat kocht en de opdracht voor 'De Nachtwacht' kreeg, etste Rembrandt dit deftige zelfportret. Het ging hem duidelijk goed. De zelfbewuste pose - het lichaam van opzij, het gezicht naar de toeschouwer gericht en de linkerarm rustend op een balustrade - heeft Rembrandt waarschijnlijk ontleend aan portretten geschilderd door Titiaan en door Rafaël, allebei beroemde Italiaanse meesters met wie hij zich wilde vergelijken. Het schilderij 'Ariosto' van Titiaan en 'Baldassare Castiglione' van Rafaël bevonden zich toen in Amsterdam.
De 'Groote Schildercaemer' in Rembrandts huis
Deze kamer, de grootste van het huis, was Rembrandts atelier. De kamer ligt op het noorden. Door de bovenste glas-in-lood-vensters viel precies het goede licht op de schilderijen-in-wording. Met een aan het plafond hangend doek kon de lichtreflectie worden geregeld. Waar Rembrandts ezel stond, is te zien in een van zijn tekeningen.
Medewerkers maakten Rembrandts verf van pigmenten en lijnolie en ze prepareerden zijn doeken. In twee gietijzeren kachels werd 's winters turf verbrand. Dit gaf een gelijkmatige warmte, waarbij vooral aan het comfort voor poserende modellen was gedacht. Bovendien mochten de handen van de meester niet te koud worden. Op planken langs de muren stonden wapens en beelden om na te tekenen en schilderen.
De binnenplaats met beerput
In de hoek van de binnenplaats bij Rembrandts huis bevond zich een beerput: een put die als wc dienst deed, afgeschermd door een houten huisje. Het was tegelijk afvalput, bijvoorbeeld voor etensresten en gebroken huishoudelijke voorwerpen. Zulke putten bieden meestal een schat aan informatie over het verleden.
In Rembrandts beerput zijn bij een opgraving verschillende voorwerpen uit Rembrandts tijd gevonden: zoals een pot met verfresten, een blauwwitte kan, een tinnen lepel, een houten boterspaan en ook deze twee knikkers waarmee kinderen gespeeld hebben. Misschien waren het wel de knikkers van Rembrandts kinderen, Titus en Cornelia.